Dag 9, zondag 5 oktober 2025
- 📍 Locatie (hotel Barbara, Ambarita, Samosir, Tobameer, Sumatra)
- 🥥 Nasi Goreng / 🍛 Gado Gado / 🍲 rijsttafel
- 🍊 Fruit van de dag: banaan, meloen en ananas
- 🎧 Geluid van de dag (gedaan)
- 🖼️ Cartoons & beelden (nee)
- 🌊 Gezwommen nee
- 🐾 Bijzonder moment / ontmoeting: John en Anja, Michael
- 🌟 Reflectie / afsluiter: te kort verblijf maakt heimwee voor je vertrekt.
Verhaal
De dag begint vroeg, nog voor de zon haar gloed over het Tobameer werpt. Het is even na zessen als ik wakker word. De lucht is fris en helder, een zeldzaam moment van stilte voor wat ongetwijfeld weer een lange dag zal worden. De rugzakken staan al klaar, half open, de meeste spullen zitten er al in — een vertrouwd ritueel na dagen onderweg te zijn. Vandaag geen haast, geen strak schema, alleen nog even pinnen en afscheid nemen van mensen die in korte tijd bijzonder zijn geworden.
Na een warm ontbijt — verse thee, fruit en het bekende glimlachende “selamat pagi” van Jojol — schuiven ook John en zijn vrouw Anja aan. Een leuk stel, open en nieuwsgierig, reizigers in hart en nieren. We praten over het eiland, over de rust van Samosir en over reizen die je meer brengen dan alleen kilometers. Het gesprek is gezellig, maar de klok tikt door. Douchen, laatste spullen pakken, en dan is het tijd.
Frans en Jojol staan bij de kade. Zijn glimlach is oprecht, zijn woorden warm. We bedanken hen voor alles — hun gastvrijheid, hun hartelijkheid, het gevoel van thuiskomen. Dan stappen we aan boord van de veerboot van Tomok naar Parapat. De boottocht duurt nog geen half uur, maar het uitzicht is onvergetelijk. De wind trekt zacht door het water, wolken hangen boven de bergtoppen en het meer glanst als vloeibaar glas. We kijken zwijgend uit over het water, ieder verzonken in eigen gedachten. Dit zijn van die momenten die in stilte meer zeggen dan woorden kunnen.
Aan de overkant staat Michael al te wachten — de man van de organisatie die ook de aankomst van de eerdere rit van Bukit Lawang naar Parapat regelde. Hij herkent ons meteen en zwaait enthousiast. “Selamat siang, my friends!” roept hij. We wachten geduldig bij het kantoortje en doen een spelletje. Het wachten begint opnieuw, want in Indonesië heeft tijd een eigen tempo. We worden afgezet bij het busstation, en tot mijn verbazing herken ik het. Hier was ik eerder — met Inge, dertig jaar geleden. De geuren, de geluiden, het geroezemoes, het voelt als een reis door de tijd. Er zijn nauwelijks toeristen, alleen een paar Nederlanders die net als wij op de bus wachten. We raken in gesprek en delen verhalen, alsof we elkaar al langer kennen dan een kwartier.
Dan komt hij eraan: onze bus. Een nachtbus, imposant en vermoeid tegelijk. Bagage in het ruim, rugzakken mee de cabine in. Binnen een mix van muziek, airco die het ene moment loeit en het volgende moment niets doet, en stoelen die ooit comfortabel waren. “We slapen vannacht in de bus,” zeg ik half grappend, half hoopvol. De eerste uren vallen mee. De weg slingert langs dorpen, rijstvelden en bergen. Tegen de tijd dat de zon ondergaat, stoppen we bij een warung voor een warme maaltijd. Schalen met rijst, kip, groenten en sambal worden op tafel gezet. Ik waarschuw Gerard nog: “Niet alles wat rood is, is tomaat.” Hij lacht, kiest voorzichtig, maar de zweetdruppels op zijn voorhoofd verraden dat het toch wat pittiger was dan gedacht. We eten met de rechterhand, zoals het hoort, en wassen daarna de vingers in een plastic bakje water met limoen.
Dan begint de echte reis. Een tocht die voelt als een eindeloze kermisattractie — maar dan zonder stopknop. De bus schudt, stuitert, giert door bochten en scheurt over wegen die meer gaten dan asfalt lijken te bevatten. De chauffeur kent blijkbaar geen angst, de remmen werken in elk geval wél. We zitten dicht tegen elkaar aan, twee niet al te kleine mannen in stoelen die duidelijk niet ontworpen zijn voor Europese proporties. Af en toe schiet ik in de lach, dan weer hoor ik Gerard zuchten. “Het is afzien,” zeg ik. “Maar hé, dit hoort erbij.” Hij knikt, met een blik die zegt dat hij er nog niet helemaal van overtuigd is.
De uren kruipen voorbij. Buiten is het donker, de ramen beslaan, en de muziek in de bus klinkt als een echo uit een andere wereld. Rond middernacht kijk ik op mijn horloge. We zijn nog niet eens op de helft. De motor bromt onverstoorbaar verder. Ik leg mijn hoofd tegen het raam, voel het trillen van de weg en denk aan het meer, aan de rust van vanochtend.
Wat een contrast — van het kabbelende water van Samosir naar de chaos van een nachtbus op Sumatra. Maar ergens, tussen vermoeidheid en verwondering, besef ik: dit is precies waarom ik reis.
Geef deze dag het aantal sterren dat het verdient, volgens jou.
Reactie plaatsen
Reacties