Verhaal
De adem van Borobudur
Zes uur.
De wekker snijdt de stilte in tweeën. Douche, toilet — en daar is hij weer, mijn nieuwe beste vriend: de tjebok. Nooit gedacht dat ik er ooit vriendschap mee zou sluiten, maar hier in Indonesië wint hij het van elke westerse luxe. Soms is eenvoud gewoon eerlijk.
Om half zeven zitten Gerard en ik aan het ontbijt. De lucht is zacht, de ochtend nog pril. Een berichtje pingt binnen op WhatsApp: de chauffeur is er. We lopen naar buiten, een warme begroeting, en even later glijden we door de ontwakende stad richting Borobudur. Het verkeer is vriendelijk vandaag, loom nog, en na minder dan een uur doemen de contouren van het heiligdom op.
Dertig jaar.
Zoveel tijd is er verstreken sinds ik hier voor het laatst stond.
En alles is anders.
De magie is gebleven, maar het ritueel is veranderd. Sinds UNESCO zich over dit wonder heeft ontfermd, is het terrein gepolijst, strak geregeld en, tja… duur. Wereldprijzen voor wereldwonderen.
Bij de lobby voor tickets zet ik mijn vriendelijkste glimlach op. Wat luchtige dad jokes hier en daar — en ja hoor, daar gaan de deuren open. Twee tickets, voor Gerard en mij.
Om half negen staan we klaar.
We trekken de verplichte viltschoentjes aan, krijgen een klein tasje en een flesje water. Alles keurig geregeld, alsof we op audiëntie gaan. En eigenlijk is dat ook zo.
Onze gids, een geduldige man met een zachte stem, leidt ons de tempel op. Rechtsom, zoals het hoort — de zuivere kant.
De stenen voelen warm, de zon brandt genadeloos.
Ik kijk omhoog, naar de stupa’s, voel de adem van eeuwen over mijn huid.
De gids vertelt, de vogels zwijgen, en ik luister half.
Sommige plaatsen moet je niet begrijpen. Je moet ze voelen.
De treden zijn hoog, oneffen. Gerard haakt even later af. De hitte is meedogenloos; 32 graden, geen wind, een zon die het hoofd doet bonzen. Ik voel de energie langzaam wegglippen — eerst in mijn hoofd, dan in mijn lijf. Alsof de tempel zelf mijn kracht opslurpt. Na vijftig minuten geef ik toe. Ik daal af, langzaam, stap voor stap, tot de stenen weer aarde worden.
Op een bankje in de schaduw komt de wereld weer terug. Gerard zit naast me, glimlacht. We drinken water, zwijgen even.
De tempel torent boven ons uit, stil, onverstoorbaar.
We lopen terug naar de uitgang, onderweg nog een praatje met een jong Belgisch stel — reizigers van dezelfde soort: nieuwsgierig, verbrand en gelukkig.
Terug bij de taxi zakken we in de stoelen.
In de hotelkamer dommelen we weg, uitgewrongen, maar voldaan.
De middag brengt nieuwe plannen.
We besluiten naar Jl. Malioboro te gaan, het hart van Yogyakarta.
De betjak staat te wachten.
We stappen in — samen. En meteen denk ik: fout. Te krap. Twee volwassen mannen in één smalle bak; het lijkt de busrit van Sumatra opnieuw. Voor 25.000 roepiah hadden we elk een eigen betjak kunnen nemen, maar we zijn te gierig en te vrolijk om erom te geven.
We stoppen bij Fort Vredeburg — een brok Nederland in de tropen, waar muren fluisteren over koloniaal verleden en vergeten namen. Voor de een geschiedenis, voor de ander litteken.
Voor mij is het allebei.
We slenteren verder.
De geur van marktfruit, het geroep van verkopers, het leven van de straat — alles komt samen op Malioboro.
Dan stuiten we op Djoen, een klein restaurant.
Binnen proef ik de beste Indische kroketten en ragout die ik ooit heb gegeten.
Ik bestel een cold brew met limoen — een bizarre combinatie, maar hemels. Gerard drinkt thee, kijkt tevreden.
Ik reken af: vier euro.
Soms smaakt geluk gewoon naar koffie met een citrusrandje.
De avond valt.
We nemen elk een eigen betjak terug. In de verte glinsteren de lichten van de stad als een belofte.
We rusten kort in het hotel en trekken er dan nog even op uit, naar dat ene stalletje waar we gisteren langs liepen.
Daar zitten ze — een politiecommissaris en zijn mannen. Binnen een halve minuut zitten we in een vrolijk gesprek.
De commissaris, joviaal, wijst naar mijn armen en vraagt met een brede grijns:
“Satudarah?”
Dan schiet hij in de lach, en ik ook. We grappen wat af.
De klik is er — een onverwachte kameraadschap tussen toeristen en gezagsdragers.
We eten goed, kruidig en vers.
De rekening? 20.000 voor mij, 16.000 voor Gerard.
Een maaltijd voor minder dan een kop koffie thuis.
Terug in het hotel spelen we nog een kaartspel, zoals altijd.
Mijn bed lonkt, mijn lijf protesteert.
Nog één douche, nog één adem, nog één blik op de dag.
En dan, eindelijk — rust.
Het licht uit.
De airco uit.
Het brein uit.
Ik val in een diepe, dankbare slaap.
De Borobudur glanst nog even na op mijn netvlies — en verdwijnt dan in dromen.
Geef deze dag het aantal sterren dat het verdient, volgens jou.
Reactie plaatsen
Reacties