Verhaal
Een dag vol ziel – Jogyakarta
Zes uur.
Een schemermoment tussen nacht en dag. Ik word wakker, half nog in dromenland. Het lichaam vraagt rust, de geest is al op pad. Even het toilet, en weer terug in het bed — dat warme, veilige eiland waar de slaap nog één keer aan me trekt.
Maar om half acht wint de dag.
Douche aan, water op de huid, hoofd leeg.
En daar is hij weer, mijn onverwachte kameraad: de tjebok. Mijn nederige vriend in een vreemd land. Hoe vreemd het ook klinkt — er is iets geruststellends aan dat simpele bakje water. Alsof de wereld even eenvoudiger is geworden.
Voor de spiegel het vaste ritueel: deo, haargel, tandenpoetsen, medicijnen, rugzak recht. Kaartje uit de houder, deur dicht.
Zes verdiepingen lager ruikt het naar rijst en koffie.
Ontbijt: eenvoudig, voedzaam, zoals elke ochtend.
“Living to the limit, the Dutch way, all the way,” denk ik glimlachend.
Vandaag scheiden onze wegen even. Gerard kiest voor de stad, ik voor het verleden.
Een dag van familie. Van wortels die diep in het Indonesische zand liggen.
De chauffeur is stipt — zoals altijd.
Even voor half tien rijden we door de ontwakende stad. Jogyakarta glijdt voorbij; achter elke gevel leeft een verhaal. Dan wordt het groener. De drukte zakt weg.
We naderen Bantul, waar tante Semiyati woont. Weduwe van mijn moeders jongste broer, Willem.
Wanneer ik uitstap, wacht daar de warmte. Eten op tafel, glimlachen die niet uitgelegd hoeven worden.
Lisa en Carmen, haar dochters, staan naast haar.
Ik heb ze nooit eerder ontmoet, maar het voelt alsof ik ze mijn hele leven ken. Er is die vanzelfsprekende band — de zachte stem van bloed dat ooit samen reisde.
De uren erna vullen zich met verhalen, thee en lachen. Een vriendin van Semiyati schuift aan, dan nog een, dan haar zoon. Ik loop met Lisa door de wijk, kinderen roepen “buleh!” vanaf een erf. Even later komen de zussen terug — met bloemen. Voor straks. Voor bij het graf van Willem.
En dan, plots, zitten we met zijn achten aan een lange tafel in een warung tussen de rijstvelden.
De lucht ruikt naar bouillon en sambal.
Iedereen eet bakso, iedereen lacht.
De es teh glijdt koel langs mijn keel, en even lijkt alles stil te staan.
Alsof de tijd zichzelf buigt om dit moment te bewaren.
Ik kijk rond, hoor muziek, zie gezichten glanzen in het avondlicht.
En daar, in die kakofonie van stemmen, voel ik het:
thuiskomen.
Wanneer we vertrekken, houdt Semiyati me tegen. Ze wil bidden.
Ik wacht, luister naar het geruis van bladeren, naar de adem van de middag.
Dan rijden we verder, door dorpen en groene velden, naar de plek waar Willem rust.
Een kleine begraafplaats, eenvoudig, omringd door bananenbomen.
Ik strooi de bloemen, leg het boeket neer.
Zij bidt zacht.
Ik zeg niets.
Soms is stilte het enige eerbetoon dat telt.
Even later, een bezoek aan haar familie. Mensen die ik niet ken, maar die me ontvangen alsof ik er altijd al bij hoorde. Thee, glimlachen, verhalen — er is iets helends aan zulke ontmoetingen.
Dan afscheid.
Nog één keer wuiven, nog één glimlach.
De weg voert verder, door velden die goud glanzen in het late licht.
We stoppen bij het terrein van Meggie.
Semiyati wijst: “Daar moet je zijn.”
Ik stap af, ze vertrekt.
Achter een poort, een villa, een vrouw achter glas — Marianne.
Mijn nicht. Haar man Henk komt erbij.
De warmte van herkenning overspoelt me.
We praten, drinken ijskoffie, lachen om kleine dingen.
Maar achter de lach hangt iets anders. Iets wat ademt tussen de zinnen.
Hier woonde Thea — mijn nicht, mijn digitale metgezel van jaren geleden.
Zij die me Java toonde via haar woorden, via foto’s en katten.
Tien jaar geleden stierf ze hier.
Marianne en Henk leiden me rond.
De villa’s glanzen in het zonlicht.
En dan: Tuticat.
De naam van Thea’s huis.
Binnen staat alles nog zoals zij het bedoeld had.
Haar meubels, haar schilderijen.
Ik raak de rugleuning van een stoel aan, loop door de kamers.
En daar breekt het.
Zonder waarschuwing.
De keel klemt, de ogen prikken.
Ik voel haar aanwezigheid.
Zij is er — in hout, in verf, in licht.
Marianne en Henk staan naast me, ook geraakt.
We zwijgen.
Drie mensen, één herinnering.
Buiten adem, letterlijk, stap ik naar buiten.
De lucht doet goed.
Ik zie de tuin, hoor het ruisen van palmen, en ergens een kat — één van haar katten.
De laatste.
Ik buk, aai het dier.
Hij kijkt op.
En daar is het: het moment dat zich in mijn hart kerft.
Later ontmoet ik ook Meggie en Marianne en Henk’s dochters die zijn teruggekeerd uit Jogyakarta.
Meggie is precies zoals Thea haar beschreef — warm, gastvrij, sterk.
Ze heeft van deze plek een paradijs gemaakt.
Wie hier logeert, krijgt alles: zorg, rust, ziel.
Ik beloof haar dat ik ooit zal terugkomen, niet als gast, maar als vriend.
De Grab-taxi brengt me terug naar het hotel.
De stad licht op in avondgloed.
Gerard is al terug, enthousiast over zijn dag.
We eten, lachen, kaarten.
Hij vertelt, ik luister.
Dan vertel ik mijn verhaal, langzaam, met pauzes.
Zijn blik zegt genoeg: hij voelt het.
Later, op de kamer, weer dat ritueel.
Douche. Tjebok. Stilte.
Het hoofd nog vol gezichten, stemmen, geuren.
De lakens omarmen me.
De dag zakt van me af als warme regen.
En voor ik in slaap val, hoor ik het zachte gemurmel van de stad buiten.
Er is vrede.
Er is dankbaarheid.
Er is thuis —
al is het ver weg van huis
Ik probeer enkel te verwoorden wat mijn gevoelens zijn, volgens mijn eigen wereldbeeld. Je merkt hier goed wanneer je jezelf openstelt de mensen dat ook doen.
Geef deze dag het aantal sterren dat het verdient, volgens jou.
Reactie plaatsen
Reacties
Wat een onderdompeling in herinneringen. En wat een openheid beschrijf je over mensen die je nog niet kent . De warmte straalt ervan af!
Ik kan mij niet zo goed verwoorden als jij, maar ik hoop dat je voelt wat ik bedoel!