Verhaal
Van Bukittingi naar Jogyakarta – De dag die goed kwam
Kwart voor vijf in de ochtend. Het water klettert in de badkamer, het geluid echoot zacht in de stilte van de nacht. Toilet en douchebezoek — leuker kunnen we het niet maken. Terug in de kamer pak ik de rugzakken in. Het gaat verrassend vlot. Alles past, alles blijft compact. Alleen de oplaadkabels nog even, want de iPad en telefoon zuigen de laatste druppel energie uit hun batterijen. Mijn mobieltje is er slechter aan toe; thuis merk je dat niet, maar onderweg voel je elk procentpunt zakken. Gelukkig heeft Gerard een powerbank. Mijn eigen exemplaar, volgeladen in Nederland, weigert inmiddels dienst. Ach, het hoort erbij. Misschien lukt het straks om iets nieuws te vinden — we zien vandaag drie vliegvelden, Padang, Jakarta en Jogyakarta. Ergens zal er wel redding zijn.
Erizal, onze chauffeur, heeft al een bericht gestuurd via WhatsApp. Hij is onderweg.
De rit van Bukittingi naar Padang Airport duurt ruim twee uur en kost 450.000 roepiah, nog geen vierentwintig euro. Voor Indonesische begrippen een flink bedrag, maar voor deze rit elke cent waard. Even voor zes uur zitten we buiten. De lucht is fris, de straat nog stil. Op mijn scherm zie ik zijn live-locatie langzaam dichterbij komen. En daar is hij.
We rijden Bukittingi uit, de stad nog in slaap. Wat ik zie, herken ik nauwelijks. In mijn herinnering was dit een groene oase, een stad vol charme en koelte. Wat ik nu zie, is grauw, stoffig, vol uitlaatgassen en beton. De magie van dertig jaar geleden is vervaagd. Zodra we de stad uit zijn, verandert alles. Alsof iemand een gordijn open trekt. Het landschap wordt weer weelderig groen, bergen rijzen op aan de horizon en vulkanen steken hun koppen boven de wolken.
De rit is soepel, Erizal rijdt kalm en met vaste hand. Toch knaagt er iets: we verliezen tijd. Ik stel voor om de tolweg te nemen. “Saya bayar tol,” zeg ik. Hij lacht, knikt en neemt de afslag. Een beslissing die later goud waard blijkt.
Want bij aankomst op het vliegveld blijkt dat onze online tickets nooit zijn verwerkt. De vlucht van 10.20 uur is vertrokken zonder ons. Hadi, de supervisor, hoort ons verhaal aan en belt met zijn baas. “Kalau cash, bisa,” zegt hij — contant betalen en hij regelt een plek op de vlucht van 8.55 uur. We zeggen ja. Hadi regelt, rent, begeleidt ons door de controles, draagt zelfs onze rugzakken. We rennen achter hem aan, zwetend maar hoopvol. Vlak bij het vliegtuig nemen we afscheid. Een hand, een diepe buiging, een brede glimlach.
Soms ontmoet je onderweg mensen die zonder iets te vragen, alles voor je doen. Hadi was er zo één.
We stappen het vliegtuig in: Super Air Jet, bestemming Jakarta.
De vlucht duurt maar anderhalf uur, maar de overgang voelt enorm. We landen op Soekarno Hatta Airport, de hoofdstad gonst.
Tijd voor brunch. Een bord Nasi Goreng Special voor mij, Mie Ayam voor Gerard. Hij drinkt groene thee, écht groen. Ik kies koffie Tubruk — zwart, sterk en perfect. De sambal is scherp, maar met liefde gemaakt. Dit is precies de energie die we nodig hadden.
Bij gate D6 zien we het onvermijdelijke: delay. Twee uur wachten. Geen probleem; eindelijk tijd om de website en Polarsteps bij te werken. De verbinding is snel, bijna westers. Rond half vier mogen we eindelijk boarden.
Batik Air brengt ons naar Jogyakarta, een vlucht van nog geen anderhalf uur.
Onderweg app ik het hotel: de rit vanaf het vliegveld zal 40 tot 60 minuten duren. We twijfelen tussen een Grab of een Bluebird-taxi. Het wordt de laatste — ik ben klaar met gedoe over kleine bedragen. De chauffeur heet Ezirel, een vrolijke, spraakzame man die meteen voelt als een vriend. Tegen de tijd dat we uitstappen, weten we het al: dit wordt onze man voor de komende dagen.
We rijden het hart van Jogyakarta binnen. Het hotel ligt perfect: het treinstation op twee minuten lopen, Jl. Malioboro op nog geen zes. In de zijstraten fonkelen eetstalletjes in het halfdonker. Streetfood, waar ik zó op gehoopt had.
De kamer is eenvoudig maar heerlijk. Een zacht bed, een douche, en — jawel — een écht toilet. Soms is geluk niet groot, maar gewoon keramiek met stromend water.
Als de avond valt, struinen we door de buurt. Tussen scooters en schaduwen vinden we een klein, bijna onzichtbaar eetstalletje. Een oudere vrouw kookt in stilte. We gaan zitten op wankele bankjes die hun beste tijd hebben gehad. Ze serveert dampende gerechten, eenvoudig maar vol smaak. Pittig, vers, eerlijk eten.
We rekenen af: 35.000 roepiah. Niet per bord — samen. Een euro en tachtig cent.
We lachen, vol verwondering. Soms lijkt het alsof dit land zijn gulheid in rijst serveert.
Tevreden keren we terug naar het hotel. Nog één potje kaarten, dan douchen, dan bed.
En daar, onder het zachte gezoem van de airco, glijdt de dag langzaam weg.
De reis was lang, de uren zwaar, maar alles klopte vandaag.
Soms, als alles eindelijk samenvalt, weet je: dit was een goede dag.
Geef deze dag het aantal sterren dat het verdient, volgens jou.
Reactie plaatsen
Reacties