Droomreis

Een verhaal over de reis die nog niet heeft plaatsgevonden maar leeft op papier.


Voorwoord – De reis die zich al aandient

Sommige reizen beginnen niet met een boeking of een vlucht, maar met een

gedachte.

Een verlangen.

Een plek die zich opdringt in je dromen.

Een geur die plotseling weer terugkomt.

Een herinnering die nog niet heeft plaatsgevonden.

Dit is zo’n reis.

Samen met Gerard — een vriend die al een leven lang meegaat — ga ik op pad.

Niet vandaag. Misschien niet morgen. Maar de route ligt al klaar, onzichtbaar, als

een touw van licht tussen eilanden. We vertrekken vanaf Bali, het eiland dat

voelt als een tweede huid, als thuiskomen in stilte. Van daaruit slingeren we ons

een weg door de Gordel van Smaragd. Van weelderige regenwouden naar stoffige

wegen, van stranden met fluisterende branding tot homestays waar eenvoud

geen gemis is maar een geschenk. We reizen niet alleen om te zien, maar om te

voelen. Niet om te verzamelen, maar om los te laten.

Er zijn plekken die we willen bezoeken — Sumatra, Java, Bali, Lombok, de Gili-

eilanden, Nusa Penida en Lembongan — maar het gaat ons niet om het afvinken.

Het gaat om de vertraging, het zwijgen, het herhalen van adem en stap. Om de

plekken die ons iets teruggeven wat we onderweg misschien zijn kwijtgeraakt.

En aan het einde van de reis?

Daar wacht niets groots.

Geen climax.

Alleen een tuin in Candidasa, een houten bank in Sanur, een nieuwe inktlijn op

mijn huid.

Sporen van iets wat werkelijk was.

Of nog moet komen.

 

Dit verhaal is geschreven op 25-27 juli 2025, op een camperplaats in Winterswijk, aan het Hilgelomeer.

Hoofdstuk 1 – Sanur [Bali]: De Start van de Cirkel

 

In mijn droom begint het al, de reis van eenendertig nachten.

De zee is vlak, als een ademhaling in ruststand.

Sanur lijkt haar bezoekers altijd met open armen te ontvangen, maar wie goed kijkt,

ziet dat de glimlach van de stad niet alleen welkom is — het is ook een

waarschuwing: wie hier begint, komt altijd terug.

Je bent geland, Donald, na een vlucht van ruim zeventien uur. Amsterdam – Dubai –

Denpasar. De lucht boven Bali is zwaar van vocht, maar het voelt als thuiskomen. De

geur van frangipani, gemengd met uitlaatgassen en wierook, is als een oude vriend

die je al van ver ruikt. Een taxi brengt je naar Yulia 2 Homestay. Simpel, vriendelijk

en doordrenkt met herinneringen. De vrouw achter de balie glimlacht als ze je naam

hoort. “Ah, kembali lagi ya?” Je bent terug. Niet als toerist, maar als iemand die zijn

voetafdruk hier al eerder achterliet.

Ontmoetingen in Sanur

In de schaduw van een waringinboom loop je richting She Café. De geur van kaneel

en sterke Bali-koffie komt je tegemoet. Ketut, de eigenaresse, staat achter de

toonbank. “Donald!” roept ze, haar gezicht breekt open in een brede lach. Je krijgt

een hug, een orange squash en een bord met haar beroemde nasi goreng. Later die

dag wandel je terug naar Billy’s Café, gelegen naast Yulia 2, de homestay. De plek

waar de avonden traag worden en de verhalen rijk. De jongens en meisjes herkennen

je meteen. Het bier is koud, de muziek zachtjes reggae, en tussen de tafeltjes klinkt

een mengsel van Balinees, Nederlands en Australisch Engels. Dit is het Sanur van de

mensen die blijven hangen.

En dan is er Rama, je tattoo-artiest, je broer, je spiegel. Zijn nieuwe studio ruikt

naar inkt en eucalyptus. Zijn vrouw is er ook en schenkt thee, zijn kinderen kruipen

bij je op schoot. Hij kijkt je aan: “Siap untuk satu lagi?” Klaar voor een nieuwe?

Je knikt.

Een plek tussen vertrek en verlangen

Sanur is een tussenwereld. Niet zo rauw als Kuta, niet zo stijlvol als Ubud, maar het

heeft iets wat geen andere plek bezit: herkenning. Je zit op het strand. Een oude

man vaart in een jukung de zon tegemoet. Op de achtergrond blaft een hond. De

branding rolt als een metronoom over het rif. Hier, tussen hemel en aarde, water en

zand, begint de reis. En je weet: deze cirkel moet rond. En je strooit de

meegenomen as uit van je ouders vriendin Toja uit op dezelfde plek waar je je

ouders ook zijn uitgestrooid. In de zee tussen Bali en Lombok.

Hoofdstuk 2 – Sumatra: Bukit Lawang – In het Land van de Orang-Oetan

 

De motoren van het vliegtuig grommen als een waakzame buffel. Onder je ontvouwt

zich Sumatra als een lappendeken van groen, roodbruine aarde en kronkelende

rivieren. Medan, de hoofdstad van Noord-Sumatra, is een stad waar chaos en

karakter een ongemakkelijk huwelijk hebben gesloten. Je blijft er niet lang. De

echte reis begint pas als je de stad uitrijdt, in een gammele minibus richting het

westen. De weg naar Bukit Lawang is hobbelig, maar indrukwekkend. Je passeert

dorpen waar kinderen zwaaien, vrouwen hun was kloppen in de rivier, en geiten

zonder haast oversteken. De jungle komt steeds dichterbij. Hier geen snelle wifi,

geen strandstoelen, maar woud. Eindeloos woud. En ergens daarbinnen: orang-

oetans.

In Bukit Lawang voel je het meteen weer: dit is een plek waar de mens zich klein

maakt. De Bohorok-rivier dondert langs bungalows op palen. Hangmatten wiegen in

de wind, een gitaar klinkt zacht vanaf een veranda. Je overnacht wederom bij een

houten guesthouse, aan de rivier, waar het bed kraakt en het geluid van krekels het

enige is dat je nodig hebt. De volgende ochtend trek je een stukje de jungle in, met

een lokale gids die fluistert in plaats van praat. “Kalau kamu beruntung…” – als je

geluk hebt… En je hébt geluk. Een moeder-orang-oetan slingert traag door het

bladerdak, haar jong stevig aan haar borst. Haar ogen ontmoeten de jouwe. Even

maar. Lang genoeg om iets ouds te voelen, iets wat je niet kunt uitleggen. Misschien

verwantschap. Misschien verdriet.

Later, als je terugkeert, nat van het zweet en verrot van de steile paden, wacht de

rivier. Je laat je meedrijven op een rubberband. Het water is fris, de lucht vol

vogels. Je drijft langs de rafelranden van het regenwoud, als een kind op zoek naar

iets wat je nog niet kunt benoemen.

Bukit Lawang is geen bestemming. Het is opnieuw een herinnering in wording.

Hoofdstuk 3 – Pulau Samosir: Het Eiland in het Meer van Verhalen

 

De ochtendnevel klimt traag omhoog uit de velden als een oude ziel die weigert te

verdwijnen. Vanuit Bukit Lawang reis je zuidwaarts, dagenlang, over hobbelige

wegen door groene valleien, langs markten waar de geur van durian je bijna uit het

raam blaast, en langs kleurrijke dorpen met houten huizen op palen. De bergen

nemen toe, de lucht wordt koeler. En dan opent zich ineens een uitzicht dat je

stilmaakt: Danau Toba. Een kratermeer zo diep en wijds dat zelfs de wolken erin

lijken te verdwalen. In het midden ligt Pulau Samosir, een eiland zo groot als

Singapore. Je vaart ernaartoe met een houten ferry waarop kippen, rugzakken en

gitaren door elkaar liggen. Lokale Batak-muziek klinkt uit een krakende speaker.

Iemand bied je een sigaret aan. Je weigert met een glimlach en krijgt daarvoor een

mango in ruil.

Je verblijft in Tuktuk, het dorpje op de smalle landtong die als een vinger het meer

in wijst. Je slaapt in een traditioneel Batak-huis, het dak als een kromme

buffelhoorn, de muren beschilderd met symbolen van voorouders. De gastvrouw heet

je welkom met “Horas!” en een stevige handdruk. De koffie is sterk, de stilte

indrukwekkend.

Magie in de eenvoud

Op een gehuurde brommer rijd je het eiland rond. Over kronkelige wegen, door

velden vol grazende waterbuffels. Je stopt bij Tomok, waar stenen beelden uitkijken

over graven van koningen. De dood is hier niet iets om bang voor te zijn, maar iets

om eer aan te brengen. Je proeft het in de lucht. Een jonge gids vertelt over de

Batak-legenden, over voorouders die uit bomen kwamen, over goden die het

landschap vormden. Zijn ogen glanzen: “Wij wonen in de mond van de draak,” zegt

hij met een grijns. ‘s Avonds eet je vis uit het meer. De lucht kleurt lavendel boven

het zwarte water. Er klinkt gitaarmuziek van een groep jongeren. Jij voegt je erbij.

Een van hen zingt “The House of the Rising Sun” in perfect Engels, met een Batak-

accent. Jij zingt mee. Jullie lachen.

De tijd verdwijnt

Pulau Samosir lijkt niet op deze wereld te liggen. Er is geen haast. Geen verkeer.

Geen agenda. Alleen het wiegen van de bootjes aan de oever en de echo van je

eigen gedachten. Je schrijft in je notitieboekje:

“Hier heerst iets dat ouder is dan taal. Misschien ben ik zelf wel even vergeten wie Ik ben.

Hoofdstuk 4 – Bukittinggi: Mist, Markten en de Evenaar

 

De tocht van Pulau Samosir naar Bukittinggi is lang, stoffig, prachtig. Je hobbelt door

een landschap dat blijft wisselen: van glinsterende rijstvelden naar dichte bossen,

dan ineens diepe kloven met hangbruggen, felgroene valleien en dorpjes waar

kinderen nog echt lachen om een passerende reiziger. Bij Banjol stop je even. Niet

vanwege het uitzicht, maar omdat je iets belangrijks kruist: de evenaar.

Een klein monumentje markeert de plek. Je zet je voeten aan weerszijden van de

wereld en maakt een foto — één been op het noordelijk halfrond, het andere op het

zuidelijk. Er is geen vuurwerk, geen fanfare. Alleen jij, de zon loodrecht boven je

hoofd, en een verkoper van kokosnoten die vriendelijk glimlacht. Het moment is

klein, maar voelt groots. Je kruist iets onzichtbaars.

Bukittinggi: Het land van nevel en vrouwen met kracht

De stad Bukittinggi ligt hoog in de bergen. Je komt aan in de schemering, wanneer

de mist als een wolkendeken tussen de daken hangt. Alles ruikt naar regen,

kruidnagel en lontong. Je overnacht in een koloniaal pension, met houten vloeren

die kraken bij elke stap. Op de muur hangt een vergeeld portret van Soekarno.

In de ochtend bezoek je de kloktoren Jam Gadang, het symbool van de stad. Rondom

bruist een markt waar vrouwen in felgekleurde hoofddoeken specerijen wegen,

hanen verhandeld worden alsof het goud is, en geurige rendang in bananenbladeren

wordt verpakt. Hier regeert de Minangkabause matriarch. Je merkt het. Je voelt het.

Kracht in rust verpakt.

Kloof en cultuur

Je daalt af in de Ngarai Sianok, een diepe kloof die de stad flankeert. De paden zijn

glad van regen, maar het uitzicht is adembenemend. Buffels grazen op plateaus

beneden, terwijl boven je zwaluwen cirkelen. Hier voel je hoe Sumatra haar

schoonheid nooit aan de oppervlakte draagt — je moet afdalen om haar echt te leren

kennen. Later bezoek je een traditioneel Minangkabau-huis, met die imposante, naar

de hemel gekrulde daken. Binnen leer je over het matrilineaire erfgoed, over

vrouwen die het land beheren, en families die sterker zijn dan bloed. Je praat met

een oude vrouw die zegt: “Mannen gaan, vrouwen blijven. De buffel keert altijd

terug naar zijn stal.”

Op je laatste avond eet je bij een warung met uitzicht op de kloof. Regen tikt zacht

op het zinken dak. De eigenaar, een man met een gitaar, zingt een oude Minang-

lied. Jij luistert. De wereld lijkt kleiner hier, dichterbij. En misschien ben jij dat ook.

Hoofdstuk 5 – Padang: Rijst, Rivier en Vlucht naar Java

 

De rit naar Padang voelt als het uitlopen van een boekdeel. De bergen verdwijnen

langzaam achter je, en de lucht wordt zwaarder, vochtiger, zilt. Je rijdt langs

uitgestrekte rijstvelden, waar witte reigers als opzetstukken op een schilderij staan,

stil en oplettend. Soms ruikt het naar regen, dan weer naar rook. Sumatra neemt

afscheid zoals ze welkom heette: intens, onverwacht, levend. Padang is een stad

met lagen. Niets is hier alleen maar wat het lijkt. Je ziet Hollandse gevels naast

houten warungs, moskeeën die echoën van oproepen tot gebed, en jongeren op

scooters met hun mobieltjes in de hand. De stad is gebouwd op geschiedenis en

water. En ooit, niet zo lang geleden, werd ze half opgeslokt door een aardbeving en

tsunami. Ze leeft. Ze herbouwt. Ze vergeet niet.

Eten, zoals alleen Padang dat kent

Je luncht bij een legendarisch Padang-restaurant, waar de gerechten als een tapijt

op tafel verschijnen. Geen menukaart. Geen discussie. Alles komt. Rendang die uit

elkaar valt met een lepel. Gado-gado met een saus die zingt van pinda en pepers.

Ayam pop, pittig en rokerig. En sambal. Altijd sambal. Een oude vrouw met zilveren

tanden kijkt je geamuseerd aan als je naar adem hapt. Ze lacht. “Kamu belum

terbiasa.” – Je bent het nog niet gewend.

Een wandeling naar de oceaan

’s Avonds wandel je naar Pantai Air Manis, het strand waar volgens de legende de

steen van Malin Kundang ligt — de jongen die zijn moeder vergat en door God werd

vervloekt tot steen. Je vindt hem, half verzonken in zand, en de zee likt zijn voeten.

Kinderen spelen eromheen. Niemand is bang. Het verhaal is oud, maar levend. Zoals

alles op Sumatra. Je kijkt uit over de Indische Oceaan, naar het westen, naar wat

komt. Morgen vlieg je naar Java. Maar nu sta je hier. Aan de rand van het eiland.

Je schrijft in je notitieboekje: “Ik begin Sumatra te begrijpen. Ze geeft niets

cadeau, maar alles is echt.” Op het vliegveld, vroeg in de ochtend, neem je

afscheid. Je bent moe, stoffig, en rijker dan ooit. En Java wacht.

Hoofdstuk 6 – Yogyakarta: Koningen, Kraton en de Tempel van de Ochtendzon

Je daalt met de vleugels van een kleine Garuda uit boven Yogyakarta. De stad ligt als

een tapijt van daken tussen groene rijstvelden, met vulkaan Merapi als grimmige

wachter aan de horizon. In de aankomsthal ruikt het naar regen op warm beton. Je

stapt naar buiten — en Java ademt meteen anders. Snel, vol, ritmisch. Maar ook

warm, uitnodigend. Zoals een huis waar altijd iemand in de keuken staat te koken.

Je verblijft aan de rand van het centrum, in een kleine homestay waar de stilte net

zo tastbaar is als het avondlicht dat door de palmbladeren valt. Een oud echtpaar

beheert het erf; ze spreken nauwelijks Engels, maar de warmte van hun

aanwezigheid is universeel.

Familie tussen de vulkanen

Nog voordat je de Kraton of Borobudur bezoekt, breng je een bezoek aan familie.

Samiati, de weduwe van “oom” Willem woont in een wijk die langzaam opwarmt

onder de ochtendzon. Ze begroet je met een stevige handdruk, een knuffel en

tranen die niet uitlegd hoeven te worden. Jullie zitten op een houten bank, kijken

naar de kippen verderop die krabben onder een brommerwrak, en spreken in flarden

van Nederlands en Bahasa. Haar verhalen zijn als zachte echo’s van vroeger — over

jouw vader en moeder, de crematie en over haar Willem, over het leven na zijn

dood en zo kort na jouw moeder. Later op de dag neem je ook een omweg naar het

huis van Cees en Thea, jouw veel te vroeg overleden nicht.

Je staat voor de poort en kijkt zwijgend naar het huis. Alles ademt een vervlogen

leven: het gordijn dat nog zachtjes beweegt in de wind alsof ze zich erachter

verschuilt. Thea, met wie je zoveel schreef terwijl ze op Java woonde, lijkt nog

even vlak achter het raam te staan. Je denkt aan die ochtend dat ze schreef over de

krekelgeluiden, over het ritselen van bananenbladeren, over heimwee en tegelijk

nooit meer weg willen. Over het fotograferen van de dingen om haar heen. Sinds

haar overlijden ben je langzaam haar pad gaan bewandelen. En je kocht de

afgelopen jaren langspeelplaten van The Cats, keer op keer, alsof haar stem daar

ergens in mee zong.

“You’ll never walk alone,” schreef ze ooit, “maar soms voelt het alsof niemand je

ziet.” Nu sta je daar. En ziet haar. Zachtjes neurie je “the end of the show”, voor

haar. En hoor je Cees zijn stem in je gedachten.

Kraton, gamelan en de tijd die anders loopt

De volgende dagen dompel je je onder in de ziel van Yogyakarta. Je loopt door het

Kraton, waar wachters in batik waken over een verleden dat hier nog leeft. Je hoort

gamelan in de verte — de muziek slingert zich tussen bogen, over mozaïekvloeren,

recht je hart in. ’s Avonds ga je naar een klein theatertje voor wayang kulit, het

eeuwenoude schaduwpoppenverhaal. De dalang (verteller) heeft een stem als een

regenbui — zacht, indringend, ritmisch. Jij verstaat eigenlijk niets. Maar je begrijpt

het toch.

Borobudur bij zonsopgang

Je vertrekt voor dag en dauw. Je beklimt de eeuwenoude trappen van Borobudur

met tientallen anderen, ieder in stilte. Dan komt het licht. Eerst zwak, dan fel.

Het boeddhistische silhouet kleurt goud tegen de ochtendhemel, en jij voelt het:

geen enkel mens is een eiland, maar elke ziel heeft haar eigen tempel. Jij de jouwe.

Zij de hare.

Je schrijft in je notitieboekje: “Java heeft me iets teruggegeven dat ik vergeten

was. Misschien mezelf.”

Hoofdstuk 7 — De Oversteek naar Lombok

 

De ochtend begint met een afscheid — van Java, van de rookpluimen boven de

Borobudur, van de eindeloze sawa’s en de brommende straten van Yogyakarta. De

taxi naar de luchthaven voelt als een sluimerende tussenfase. Iedereen is stil.

Misschien omdat de magie van de afgelopen dagen nog nazindert. Misschien omdat

niemand weet wat Lombok ons zal brengen. De vlucht is kort maar onwerkelijk. We

stijgen op in het hart van Java, en dalen nog geen uur later neer in een andere

wereld. Vanuit het vliegtuigraam zien we haar liggen — Lombok, met haar groene

bergen, haar kusten als franje, en ergens in de verte: Rinjani, de slapende reus die

de wolken beroert.

De aankomst in Mataram, de hoofdstad, is een kakofonie van indrukken. Hier geen

chaos zoals op Java, maar een trager ritme. Straatverkopers met rijstpakketjes in

bananenblad, brommers vol schoolkinderen, en de geur van zee en gebakken vis. We

slenteren zonder doel. Laten ons leiden door de schaduw van waringinbomen en de

nieuwsgierige blikken van kinderen. Na een lichte lunch op een terras waar niemand

Engels spreekt maar iedereen lacht, vinden we een chauffeur die ons naar de

noordwestkust wil brengen. Hij noemt het “de poort naar de eilanden” — Bangsal

Port — een plek waar boten de oversteek maken naar de Gili’s. De rit duurt uren,

maar voelt als een reis door een levend schilderij: kurkdroge heuvels wisselen af met

palmwouden, rijstvelden met stoffige dorpjes waar geiten de weg oversteken alsof

zij het verkeer regelen.

Tegen zonsondergang komen we aan bij een klein vissersdorp, waar ons verblijf zich

bijna verschuilt tussen de palmen. De zee is hier geen horizon, maar een belofte. In

de verte schittert iets dat Gili Trawangan zou kunnen zijn — of gewoon een

drijvende droom, wie zal het zeggen. We slapen die nacht in een houten bungalow

op het strand. Het geluid van de golven is ons enige gesprek. De straathonden liggen

eindelijk rustig. Iemand zegt zacht: “We zijn er nog niet. Maar dit… dit voelt al als

aankomen.”

Morgen wachten de Gili-eilanden. Maar vanavond zijn we alleen hier — tussen land

en zee, tussen nu en straks, tussen afscheid en avontuur.

Hoofdstuk 8 – Gili Trawangan

De ochtend begint vroeg. Nog voor de zon zich volledig heeft losgemaakt van de

horizon, zitten we al op het strand. De zee ligt roerloos, alsof ze ons toestemming

geeft. Een kleine boot ligt klaar bij Bangsal Port — felblauw, met een motor die

klinkt als een brommende krekel. De overtocht naar Gili Trawangan duurt nauwelijks

een half uur, maar het voelt als het passeren van een grens. Het vasteland verdwijnt

achter ons in een waas van licht en zout. Voor ons doemt een eiland op dat eruitziet

alsof het getekend is voor een reisfolder: witte stranden, kokospalmen die zich

schuin naar het water buigen, en geen auto’s — alleen fietsen en paard-en-wagens,

cidomo’s genaamd, die vrolijk rinkelen over het zandpad. We leggen aan bij een

houten steiger waar het water zo helder is dat je de schaduwen van vissen ziet onder

je voeten. De lucht ruikt naar zonnebrand en zeezout, en ergens verderop klinkt

reggaemuziek uit een strandbar. Gili Trawangan ademt vrijheid. Niets moet, alles

mag. Ook al heerst er veel meer een moslimcultuur dan ooit.

Ons verblijf is een eenvoudige homestay, verscholen achter een muur van hibiscus en

bougainville. De honden worden met open armen ontvangen — de eigenaresse, een

oude vrouw met zilveren haar en een glimlach van vroeger, noemt ze “tamu setia”,

trouwe gasten. In de tuin hangt een hangmat. Dat is voldoende. De dagen op Gili

Trawangan verlopen zonder klok. We zwemmen, slenteren, eten nasi goreng in een

hutje aan zee. We snorkelen boven een rif dat lijkt te gloeien van leven:

papegaaivissen, schildpadden, en zelfs een rifhaai, snel en sierlijk als een schaduw

onder water.

’s Avonds schuiven we aan bij een barbecue op het strand. Vuur in het zand, verse

vis op de grill, voeten bloot, gezichten verlicht door de vlammen. Een Australisch

stel vertelt over hun duikcursus. Een lokale gids wijst ons op het silhouet van Bali

aan de westelijke horizon. En de straathonden op het eiland? Die liggen erbij alsof ze

nooit iets anders hebben gedaan dan onder palmbomen dromen. Op Gili Trawangan

verdwijnt het idee van tijd. Alles wordt adem, licht, rust. Misschien is dat wat

eilandmagie doet: het pelt je af, tot alleen het wezenlijke overblijft.

Na drie nachten weten we: het is tijd om verder te trekken. De wereld is groter dan

dit paradijs. Maar we vertrekken langzaam, alsof we niet willen toegeven dat we

verliefd zijn geworden op een eiland dat geen haast kent.

Morgen wacht een nieuwe boot. Een nieuw eiland. Een nieuw hoofdstuk.

Hoofdstuk 9 – Nusa Penida

 

We verlaten Gili Trawangan bij het eerste ochtendlicht. De zee is kalm, de lucht

zacht oranje. In de kleine boot zitten alleen wij, een jonge schipper, een krat

bananen en een gevoel van afscheid dat we maar niet van ons afschudden. Tussen de

golven zegt Gerard: “Het is alsof we steeds een laagje verder de stilte in reizen.” Ik

knik. Hij heeft gelijk. Na een korte oversteek komt ze in zicht: Nusa Penida — ruig,

ongerept en eerlijk. Geen glimmende resorts, geen lawaai, alleen de basics: rots,

zee, zon, wind.

In de haven ontmoeten we twee mannen met brommers die ons zonder veel woorden

verder het binnenland in brengt al blijven we aan de kust. Gelih Bungalow ligt

verscholen tussen bananenbomen en bamboe. Een tiental eenvoudige bungalows met

rieten daken, een veranda met uitzicht op het zwembad — en dat is precies wat we

zoeken. Wifi, airco, maar vooral, geen agenda. Gerard laat zijn rugzak vallen op het

houten dek en zegt: “Perfect.” En dat is het. Perfect in zijn eenvoud. De dagen

glijden voorbij. We lezen. Slapen. Slenteren. Huren een scooter en rijden over

onverharde wegen die nergens naartoe lijken te gaan. Soms stoppen we aan een klif,

staren naar het azuurblauwe water tientallen meters onder ons, en zeggen niets.

Alles wat er gezegd moet worden, zit al tussen ons in.

Op korte afstand vinden we een pareltje terug: Angel Café. Een betonnen warung

met slechts drie tafels en een glimlach als menukaart. De vrouw die het runt is klein,

stil, en heeft ogen die alles lijken te begrijpen. De eerste keer bestellen we mie

goreng. De tweede keer hoeven we niets te zeggen. En de derde keer schuift ze zelf

een bord mango’s onze kant op. “Voor onderweg,” zegt ze zacht. Maar we weten

allebei: we gaan nergens heen. ’s Avonds zitten we op de veranda van onze

bungalow. De sterrenhemel is overweldigend. We praten over vroeger — oude reizen,

oude dromen. We lachen om dingen die niemand anders begrijpt. Soms zwijgen we

gewoon. Geen ongemak, alleen ruimte. Vriendschap zonder poespas. Nusa Penida

doet iets met je. Het haalt de snelheid uit je hoofd. Het legt alles bloot wat niet

belangrijk is. En wat overblijft, is puur.

Op de ochtend van vertrek zegt Gerard: “Als ik ooit verdwijn, zoek me dan hier.”

Ik zeg niets. Ik weet precies wat hij bedoelt.

Hoofdstuk 10 – Nusa Lembongan

 

De boot naar Nusa Lembongan is klein, maar stevig. We zitten aan de rand, voeten

bungelend boven het water, de wind in ons gezicht. Nusa Penida verdwijnt langzaam

achter ons, als een eiland dat besloten heeft zich weer terug te trekken in de stilte.

Voor ons ligt Lembongan — onbekend, ongezien, een wit vlak op de kaart van onze

reis. We hebben ook hier geen afspraken, geen lijstjes, geen verwachtingen. Alleen

een vage belofte aan onszelf: even niets meer moeten. Even rusten. Uitademen.

Bij aankomst worden we begroet door helder turquoise water, zacht zand en een

eiland dat aanvoelt alsof het net is wakker geworden. Geen drukte, geen toeterende

scooters, alleen het zachte gerommel van een golf die zich omdraait in haar slaap.

We vinden een eenvoudige accommodatie vlak aan zee. Een paar houten hutten met

rieten daken, een hangmat op het terras, en het geluid van de branding als

achtergrondmuziek. Gerard gooit zijn tas neer, trekt zijn slippers uit en zegt: “Hier

wil ik even niks.” Ik lach. “Hier kan je ook niks.” En dat is precies de bedoeling.

De dagen op Lembongan hebben geen begin of einde. We laten ons meedrijven op

het ritme van de zon. We wandelen over het strand bij Mushroom Bay, laten ons

meeglijden in het zoute water bij Dream Beach, en bestellen kokosnoten alsof we

hier al jaren komen. ’s Middags drinken we koffie in een warung op palen boven de

mangroven. De eigenaar vertelt ons hoe de getijden hier alles bepalen. “De zee

komt, de zee gaat. Wij passen ons aan,” zegt hij. Ik denk aan Nederland, aan onze

neiging om alles te beheersen. Hier is het anders. Hier leer je buigen. Er zijn geen

bezienswaardigheden die we moeten zien, geen plekken die we moeten bezoeken.

En dat is precies de luxe van Lembongan. Het eiland vraagt niets. Het is er gewoon.

’s Avonds eten we aan het strand. Zand tussen onze tenen, een biertje in de hand,

het licht van olielampen flakkert op de tafel. We praten weinig. Niet omdat er niets

is om te zeggen, maar omdat we al zoveel gehoord hebben — van de eilanden, van

elkaar, van onszelf. Lembongan voelt als een rustpunt. Niet het einde van de reis,

maar de voorbereiding op terugkeer. Een plek waar herinneringen nog even kunnen

uitwaaien voordat ze weer plaats moeten maken voor het gewone leven.

Gerard zegt: “Denk je dat we ooit echt weer thuiskomen?”

Ik kijk naar de donkere zee, naar de gloed van Bali aan de horizon.

“We zullen zien,” zeg ik. “Maar ik neem dit eiland in elk geval mee.”

Hoofdstuk 11 – Terug naar Bali

 

De oversteek van Nusa Lembongan naar het vasteland voelt als een cirkel die zich

sluit. De zon staat hoog als we Sanur weer binnenvaren, en ineens is alles vertrouwd

— de geur van de zee, de chaos van scooters, het zachte geroezemoes van een stad

die leeft alsof ze jou herkent. We stappen op het droge met een gevoel van

thuiskomst. Maar de reis is nog niet voorbij. Nog niet.

Candidasa wacht.

De weg ernaartoe slingert langs de oostkust, door dorpjes, langs zeezichten,

tempels, kreten van hanen en kinderen die zwaaien vanaf bamboehekjes. En dan,

alsof het niets is, rijden we onder de poort door: Kelapa Mas Homestay. Het is er nog

precies zoals altijd. De tuin zindert van stilte, zelfs al gromt het verkeer voorbij op

de hoofdweg. Plumeria bomen buigen zacht over de paden. De vijver borrelt, alsof

hij ons herkent. En op de veranda zit een oudere vrouw die glimlacht zonder

woorden nodig te hebben. Ze weet dat je terug bent. Je ademt die eerste avond in

Kelapa Mas dieper in dan de vorige tien. Gerard zegt niets, maar hij voelt het ook:

dit is jouw plek. Hier hoort iets van jou, al sinds die eerste keer in de vorige eeuw.

Candidasa is veranderd — de winkeltjes zijn talrijker, de scooters luider — maar deze

tuin niet. Dit blijft jouw grond. We brengen dagen door in rust. Bezoeken Pantai Bug

Bug, waar de zee schuimt tegen zwarte rotsen en waar het licht anders lijkt te

vallen. We maken kleine uitjes door de omgeving — naar de watertempel, naar

Tenganan, naar de heuvels die in nevels verdwijnen — maar steeds keren we terug

naar de stilte van Kelapa Mas. Hier lees je, schrijf je misschien een stukje, zwijg je.

Hier kijk je gewoon. En alles klopt.

En dan, als een vanzelfsprekende beweging, keren we terug naar waar het allemaal

begon: Sanur. Yulia 2 Homestay. Dezelfde kamer misschien. Dezelfde glimlach bij

aankomst. En daar, direct ernaast, Billy’s Café — jouw huiskamer met uitzicht op de

wereld. De bank staat er nog. Die bank, jouw vaste plek, jouw blikveld. Vanaf hier

observeer je alles: het langslopen van toeristen, het knikken van oude bekenden, het

leven van Sanur in al zijn vormen. Dit is je anker. Je wereld in één bank, één café,

één stad aan zee.

Met Gerard maak je nog een rit naar de rijstvelden — als ritueel, bijna heilig. Groene

terrassen die zich uitstrekken als golven in het landschap. Bali in haar puurste vorm.

’s Avonds schuif je weer aan in Billy’s. Biertje, zacht briesje, gesprekken die komen

en gaan. Je kijkt opzij naar Gerard. Hij begrijpt het.

Dit is geen eindpunt, geen afscheid. Dit is thuiskomen

Hoofdstuk 12 – De Terugreis

 

De ochtend van vertrek komt ongevraagd. De zon hangt al boven de palmen, maar de

lucht voelt zwaarder dan gisteren. Alles beweegt nog, Bali leeft zoals altijd –

brommers razen voorbij, kinderen lachen op blote voeten, wierook kringelt omhoog

in kleine offers op de stoep. Maar in jou is iets stilgevallen. Je pakt je tas zonder

woorden. Alles zit erin, alles wat je nodig hebt. En tegelijk voelt het alsof je iets

achterlaat wat je niet kúnt inpakken. Gerard begrijpt het zonder uitleg. Jullie

ontbijten bij Billy’s, zoals altijd. Je vaste bank voelt ineens te zacht, te veel als een

anker dat je los moet snijden. De koffie smaakt bitterder dan normaal. Of misschien

is het je keel die zich sluit.

Je kijkt naar buiten. Sanur glijdt voorbij in het tempo van de dag. En jij? Jij beweegt

tegen je eigen wil in. Het verstand zegt: het is tijd. Het hart zegt: nog even.

Misschien daarom ga je die ochtend nog één keer terug. Niet naar de zee. Niet naar

de tuin van Kelapa Mas. Maar naar een klein atelier, verscholen tussen

bananenplanten en brommerverhuur. Rama is er. Zoals altijd. Stil, gefocust. Zijn

naald zoemt zacht als een mantra. De tekening stond al langer in je hoofd. Een lijn,

een symbool, misschien een paar woorden — iets dat deze reis vasthoudt, verankert,

bevestigt: ik was hier. Dit was van mij.

Je voelt de naald. Geen pijn, eerder een ritueel. Een sluitsteen. Terwijl Rama

werkt, kijk je naar het plafond, naar de bewegende schaduwen van bladeren in de

ochtendzon. En ineens weet je: je vertrekt niet zonder iets van hier mee te nemen.

Het zit nu onder je huid.

Op de luchthaven is het druk. Maar voor jou is alles dof. Je beweegt op automatische

piloot. Tassen, paspoort, douane. Achter je trekt Bali zich langzaam terug als een

golf die niet meer omkeert. In het vliegtuig zit Gerard naast je. Jullie zeggen weinig.

Dat hoeft ook niet. Buiten het raampje schuift de kustlijn van het eiland weg onder

een dunne laag wolken. Je denkt aan Kelapa Mas. Aan de stilte daar. Aan de bank bij

Billy’s in Sanur. Aan de geur van wierook in de ochtend. En ineens besef je: je bent

nooit volledig vertrokken. Een deel van jou blijft. In de tuin, in de golven, in de blik

van een oude vrouw die jou herkende.

De motoren brullen. Het toestel stijgt. En jij laat los, voor nu.

Maar op je huid?

Daar reist Bali met je mee.

Voor altijd.

Epiloog – Wanneer de droom verbleekt

 

De jetlag komt later. De stilte van thuis eerder. In de eerste dagen na terugkomst

voelt alles onnatuurlijk glad. De stoepen zijn recht, het verkeer gehoorzaam, de

koffie klinisch precies. Alles werkt — maar niets leeft zoals daar. De honden

kwispelen bij het zien van je gezicht. En jij? Jij zweeft nog ergens tussen twee

werelden.

De tattoo op je huid is inmiddels aan het genezen. Soms betrap je jezelf erop dat je

er met je vingers overheen gaat, alsof je wil voelen of hij nog echt is. Alsof Bali

zomaar zou kunnen verdwijnen, zelfs daar.

Vrienden vragen hoe het was. Je glimlacht, zoekt naar woorden, vindt alleen

fragmenten. Een geur, een strand, een blik. Maar hoe vertel je over een warung

waar je werd aangekeken alsof je thuishoorde? Hoe leg je uit dat een tuin in

Candidasa stiller klinkt dan een kerk in de sneeuw? Je laat foto’s zien. Mooie

plaatjes, ja. Maar het verhaal zit daar niet in. Het zit in het onzichtbare: in de blik

tussen jou en Gerard bij zonsondergang, in de smaak van sambal bij Angel Café, in

de schaduw van een palm boven een houten bank in Sanur.

En dat is niet uit te leggen. Dat is alleen te herbeleven. Of op te schrijven.

Langzaam wint de realiteit terrein. De agenda vult zich. Vergaderingen, afspraken,

verantwoordelijkheden. Je herkent de reflexen, de patronen. Maar er is iets

verschoven. Onder de oppervlakte. Een zachte rimpeling in de tijd. Misschien is dat

wat reizen met je doet:

Het pakt je bij je hand, laat je los in een andere wereld, en brengt je terug met

zand in je schoenen en stilte in je hart. Niet om te ontsnappen, maar om te

herinneren wie je bent als de wereld even geen verwachtingen heeft.

De droom is voorbij. Maar hij heeft sporen nagelaten.

En diep vanbinnen weet je: de droom is nog niet af.

Rating: 4.5 sterren
2 stemmen